home
 


Neoclassicisme in het Brugs Prentenkabinet

De term neoclassicisme wordt pas sinds het midden van de negentiende eeuw gebruikt en verwijst naar de stijl die tussen 1760 en ongeveer 1840 gehanteerd wordt. In die periode zelf spreekt men over de ‘ware stijl’, deze benaming geeft weer hoe men tegenover kunst staat. De nieuwe stijl is een reactie op de overvloedige vormentaal die onder andere tot uiting komt in de rococo. Zuiverheid van vorm en harmonieuze proporties worden nagestreefd. Volgens vele kunstenaars, kunstkenners en architecten was de ideale schoonheid bereikt in de klassieke oudheid. De grote belangstelling voor de klassieke oudheid leidt tot vele archeologische ontdekkingen en opgravingen. De belangrijkste sites in Italië zijn Herculaneum, ontdekt in 1711, en Pompeï, ontdekt in 1748.

Johann Joachim Winckelmann (1717-1768), Anton Raphaël Mengs (1728-1779) en graaf de Caylus leggen in hun geschriften de theoretische basis voor het neoclassicisme. De kern van hun theorie vormt de terugkeer naar het schoonheidsideaal van de Griekse en Romeinse oudheid.



De opgravingen vanaf 1750, de prentenbundels van ondermeer Giovan Battista Piranesi (1720-1778), het enthousiasme van de amateurs, de lokroep van Rome, de geschriften van critici en theoretici slepen de elite van alle Europese landen mee in eenzelfde passie voor de antieke oudheid. De kunstenaars zetten deze overtuiging om in de praktijk door de studie van beelden en basreliëfs. Dit wordt aangemoedigd door de Academies, evenals de studie naar levend model en de grote schilders van de renaissance als Raphaël en Michelangelo.

Er wordt gestreefd naar een formele schoonheid, het grootse, naar soberheid en zelfs strengheid niet alleen in historiestukken maar in alle genres. Het rationalisme heeft eveneens bijgedragen tot het ontstaan van een neoclassicistische stijl. Het rationalisme en de Verlichting hebben immers eveneens hun wortels in de antieke oudheid, de renaissance en het humanisme.

In eerste instantie heeft het neoclassicistische gedachtegoed van Winckelmann en Mengs op praktisch vlak slechts beperkte gevolgen en is het sterk aan Rome gebonden. In Frankrijk wordt de vernieuwing pas in de jaren 1770 doorgevoerd dankzij Joseph Marie Vien (1716-1809). Joachim Le Breton (1760-1819), secretaris van de Klasse voor Schone Kunsten in Parijs, getuigt hiervan jaren later:


Il [Vien] avait osé prendre pour guide l’étude de la Nature et de l’antiquité, regardée comme un préjugé dangereux par tous les chefs de l’École.
Dit betekent het startschot voor het neoclassicisme in Frankrijk, gezien de leerlingen van Vien zoals François André Vincent (1746-1816), Jacques Louis David (1748-1825) en François Guillaume Ménageot (1744-1816) tot de protagonisten van deze stijlperiode zullen uitgroeien.