home
 
Uitvinding van de bril

 zestiende-eeuwse knijpbrillen











De vroegst bekende historische referentie naar de visuele vergroting van een teken is te vinden in Egyptische hiëroglyfen uit de achtste eeuw voor Christus. Ze tonen eenvoudige glazen schijven. In de eerste eeuw na Christus beschrijft Seneca het eenvoudige principe: “Letters, hoe klein en onduidelijk ze ook zijn, kunnen vergroot gezien worden door een glazen kom gevuld met water.”

In de negende eeuw produceren de Arabieren reeds glas dat geslepen wordt tot ronde stenen die als leesstenen gebruikt worden. De Arabische wetenschap levert baanbrekend werk betreffende de studie van het oog en de optische werking. In 1012 publiceert Alhazen het Boek van de gezichtskunde, waarin zelfs al oogoperaties zijn opgenomen. De vertaling van dit boek naar het Latijn in de twaalfde eeuw is cruciaal voor de uitvinding van de bril in Italië aan het einde van de dertiende eeuw. De eerste brillen moesten met de hand of met een knijpsysteem op de neus gehouden worden. Het montuur met benen, die de bril achter de oren houdt, wordt pas in de achttiende eeuw ontwikkeld.

In het onderschrift wordt de werking van de bril, die de blik verhelderd poëtische omschreven: “De bril is uitgevonden, hij neemt de te donkere waas voor de ogen weg.”






De bril neemt een zeer opvallende plaats in het oeuvre van Stradanus, hij duikt namelijk letterlijk en figuurlijk overal op, zowel bij de voorstelling van geleerde of lezende mensen als op de meest onverwachte plaatsen. In voorstellingen met een profaan thema of in religieuze scènes is de bril alom tegenwoordig.

Het is bijvoorbeeld opvallend dat tussen de omstaanders rond de gekruisigde Christus een ruiter met bril opduikt. Stradanus maakt verschillende versies van de “Kruisiging” en de bebrilde ruiter is steeds aanwezig, zowel in de schilderijen als in de prent. Dit is een anachronisme dat slechts zelden terug te vinden is in de religieuze kunst, maar bij Stradanus meermaals aanwezig is.