home
 

Volgens de platonische en neoplatonische filosofie vertegenwoordigt de Idee de perfecte vorm, waarvan alles wat wij op deze wereld zien een kopie of schaduw is. Van de renaissance-kunstenaar wordt verwacht dat hij de natuur imiteert in zijn werk. Maar daar de werkelijkheid niet volmaakt is, is het de plicht van de artiest om de mooiste elementen van verschillende bronnen te selecteren en dan samen te brengen. Deze synthese overstijgt de natuur en benadert zo de schoonheid van de Idee.

De Romeinse redenaar Cicero vertelt het verhaal van schilder Zeuxis, die geconfronteerd wordt met de opdracht om de mooiste vrouw ter wereld te schilderen. Hiervoor nodigt hij de vijf mooiste vrouwen van de stad uit, selecteert van elk de fraaiste uiterlijke kenmerken en combineert deze tot een nieuw geheel. Dit Zeuxis-thema wordt in de zestiende eeuw door de Italiaanse schrijver Baldassare Castiglione op Raphaël toegepast, omdat hij dezelfde werkwijze volgt. Het talent van de schilder wordt al in zijn tijd algemeen geroemd. Zo noemt de Italiaanse humanist Pietro Bembo Raphaël in het grafschrift voor de kunstenaar een ‘voortreffelijk schilder en rivaal van de oudheid’.

De theorie van de Platonische Idee en de ideale schoonheid die de natuur overstijgt, ligt ook aan de basis van het neoclassicistische gedachtegoed. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Raphäel tot het grote voorbeeld bij uitstek uitgroeit voor de neoclassicistische schilders. In zijn autobiografie schrijft Jacques Louis David dat de ware leermeesters in Rome de antieken en Raphaël zijn. Hij spreekt over de ‘goddelijke Raphaël’ en beweert dat deze schilder hem stap voor stap naar de antieken geleid heeft. Volgens David is hij immers de sublieme schilder die het dichtste bij deze niet te imiteren beelden aansluit. In ruil voor zijn bewondering vraagt David op zeer retorische wijze aan Raphaël - ook al liggen er drie eeuwen tussen hen - om hem als een van zijn leerlingen te beschouwen.