home
 

Reeds in de renaissance worden ruïnes uit de antieke oudheid gebruikt in schilderijen, zoals op de achtergrond van de Geboorte van Christus of de Marteling van de heilige Sebastiaan.
De overblijfselen uit de oudheid gelden hier vooral als symbool voor het nieuwe christelijke tijdperk, in tegenstelling tot de teloorgang van de heidense cultuur. Maar tegelijkertijd worden associaties met de klassieke mythen en het Eeuwige Rome opgeroepen.

In en rond Rome zijn talrijke resten van klassieke architectuur aanwezig, terwijl ze praktisch volledig ontbreken in Noord-Europa. Het is misschien daarom dat vooral kunstenaars uit het Noorden sterk onder de indruk zijn en zich er erg door aangetrokken voelen. De voorliefde voor de reproductie van de vervallen bouwwerken in tekeningen en gravures bereikt een hoogtepunt in de achttiende eeuw. De grote productie en verspreiding van die afbeeldingen is niet enkel een artistiek gegeven maar speelt ook een rol in het opkomende toerisme. De voorkeur voor het archeologische beeld begint in 1738 met het onderzoek naar Herculaneum en de interesse van graaf de Caylus voor antieke technieken.



Een eerste hoogtepunt van wetenschappelijke nauwkeurigheid in de registratie van de ruïnes is de publicatie van Antichità Romane door Giovanni Battista Piranesi (1720-1778) in 1756. Rome is de studieplaats en de esthetische basis bij uitstek. In de tweede helft van de achttiende eeuw bereikt de voorstelling van ruïnes in de schilderkunst een hoogtepunt. Hubert Robert (1733-1808) en Jean-Honoré Fragonard (1732-1806) ontwikkelen een genre van vedutes met ruïnes en tuinen dat het midden houdt tussen ruïne- en landschapschilderkunst. Terwijl Robert, ook ’Robert des Ruïnes’ genoemd, de antieke bouwvallen met fantasie combineert, heeft Fragonard meer aandacht voor de idylle en het pastorale in de natuurstudie.