home
 


In de Zuidelijke Nederlanden

De zeventiende eeuw betekent voor de Nederlanden een artistiek hoogtepunt. Ook in Frankrijk en Italië bloeien de kunsten. De grote meesters uit deze periode zoals Peter Paul Rubens, Nicolas Poussin, Michelangelo Merisi da Caravaggio en Annibale Carracci hebben hun naam en faam tot op heden bewaard. De stilistische traditie die zij opstarten in de eerste helft van de zeventiende eeuw blijft lang voortleven.

In de Zuidelijke Nederlanden wordt, zeker wat de historieschilderkunst betreft, de dynamische barokstijl van Rubens nagevolgd. In de tweede helft van de zeventiende eeuw en vooral in de achttiende eeuw verliest de artistieke productie de kracht en de expressiviteit die zo eigen is aan de grootmeesters van de barokperiode. In Frankrijk evolueert men tot de zogenaamde rococo, waar galanterieën, frivoliteit en pastelkleuren overwegen zoals onder meer bij Jean Antoine Watteau (1684-1721), François Boucher (1703-1770) en Jean Honoré Fragonard (1732-1806).

De introductie van neoclassicisme en het bijhorende gedachtegoed verloopt in Vlaanderen allesbehalve vlot. De grote obstakels hierbij zijn niet zozeer van artistieke aard als wel een gevoel van Zuid-Nederlandse eigenheid die buitenlandse – vooral Franse – invloed schuwt. Dit wordt nog versterkt door de politieke troebelen in en met Frankrijk op het einde van de achttiende eeuw. Daarnaast is men sterk gehecht aan de artistieke bloeiperiode van de zeventiende eeuw met Rubens als voorbeeld bij uitstek. 

Vanuit de overheid wordt belang gehecht aan de bevordering van de kunsten. In 1762 werkt Karl Johann Philipp Cobenzl (1712-1770), gevolmachtigd eerste minister van Maria Theresia in Brussel, een initiatief uit voor de stichting van een academie in Rome. Zijn doel hierbij is: ‘que nous pourrions fournir de grands artists et de faire revivre les arts dans un pays où ils sont maintenant presqu’oubliés’. Helaas echter blijven Cobenzls plannen zonder concreet gevolg. Een decreet van 1773, uitgevaardigd door Maria Theresia, bevrijdt de kunstenaars van het ambachtelijk juk. Kunst als intellectuele activiteit, een gedachtegoed dat in Italië en Frankrijk reeds langer aanvaard was, krijgt hierdoor ook in de Nederlanden officiële erkenning. Toch brengt dit alles nog geen heropleving met zich mee. Het is opvallend dat het besef van artistiek verval, impasse en tevens het afweren van vernieuwing en invloed van buitenaf samengaan.