home
 


De weigering van de Antwerpse schilderschool om open te staan voor nieuwe invloeden op het einde van de achttiende eeuw is hiervoor exemplarisch. Op 4 november 1764 benoemt Karel van Lotharingen, landvoogd van de Zuidelijke Nederlanden, Andries Cornelis Lens (1739-1822) tot hofschilder en biedt hem de kans om zijn opleiding in Rome te voltooien, waar de schilder gretig op in gaat. In Rome ontmoet Lens Winckelmann en Mengs en wordt er sterk beïnvloed door hun kunsttheorieën. In november 1768 keert Lens als overtuigd aanhanger van het neoclassicisme terug naar Antwerpen. Hij groeit in de jaren 1770 uit tot een succesvol kunstenaar en werkt voor een internationaal cliënteel. Zijn progressieve houding en doorgedreven voorkeur voor het neoclassicistische gedachtegoed brengt hem echter in conflict met de overgrote meerderheid van de leraren aan de academie.

De sfeer van jaloezie en vijandigheid zet Lens ertoe aan Antwerpen te verlaten en zich in Brussel te vestigen. In zijn ontslagbrief weerklinkt de teleurstelling: ‘…in het belang van de academie…verlaat ik haar. Ik kan er niet het minste goed doen, aangezien ik in alles wordt tegengesproken door mijn collega’s’. Na het vertrek van Lens verloopt het kunstonderwijs binnen de Antwerpse picturale traditie gebaseerd op Rubens verder.


Door zijn meesterstukken, maar ook door de cultus rond zijn persoon is hij in Antwerpen alom aanwezig. Als symbool van de Antwerpse schilderschool blijft hij het te volgen voorbeeld voor de kunstenaars. Nog in 1864 wordt Willem-Jacob Herreyns (1743-1827) als fervent aanhanger van de Rubensiaanse traditie geprezen omdat hij ‘het kwaad… dat zijn onderwijzer Lens aan de Vlaamsche school wilde toebrengen’ herstelde.