home
 

De uitvinding van het kompas

Het opschrift “Deze steen heeft aan Flavius verborgen horizonten onthuld; het heeft zijn geheime liefde voor de pool geopenbaard, maar ook zijn liefde voor de navigator.” verklaart welke uitvinding centraal staat in deze prent: het kompas. Flavio Gioia of Biondo uit Amalfi wordt in Italië gezien als de (legendarische) uitvinder van dit navigatie-instrument. Het kompas laat in combinatie met het uurwerk en de sextant toe om plaats en route te bepalen, vooral op plaatsen waar elk referentiepunt ontbreekt zoals op volle zee of in de woestijn. Dit betekent onder meer een cruciale vooruitgang voor de zeevaart.




Een kompas is een navigatie-instrument om de richting ten opzichte van het noorden te bepalen. Het traditionele magnetische kompas bestaat uit een vrij opgehangen magneet, die zich onder invloed van het aardmagnetische veld in een bepaalde richting opstelt, waardoor het mogelijk wordt om het magnetische noorden aan te wijzen.

Het magnetische noorden komt echter niet overal op aarde overeen met het geografische noorden. De lokale afwijking - magnetische declinatie of variante genoemd - moet verrekend worden bij het uitzetten van de een richting. De grootte en richting van de variatie staat altijd vermeld op zeekaarten en almanakken. De variatie verandert over het algemeen slechts langzaam, zodat de berekening goed mogelijk is.

De oudste kompassen waren waarschijnlijk stukken gemagnetiseerd ijzer of ijzererts die op een plankje in water gelegd worden. Op de voorgrond links is deze belangrijke stap in de uitvinding van dit instrument afgebeeld. Een decoratief wasbekken is met water gevuld. Op de vloeistof drijft een plankje met een klomp ijzererts. Het metaal kan vrij zwemmen en door de aantrekking van het noorden naar een welbepaalde kant van het bekken afdrijven. De ontdekking van deze magnetische werking tussen metaal en het noorden is het fundament van het kompas. Verbeteringen in de vorm van een staafmagneet, een betere ophanging en een kompasroos volgen later. 

 

De vroegst bekende vermelding van het gebruik van een kompas voor navigatie op zee is in het Chinese boek “Pingzhou Ke Tan” (Tafelgesprekken met Pingzhou) uit 1117 van Zhu Yu. Later in de twaalfde eeuw verspreidde het gebruik van het kompas zich via de Arabieren naar Europa. De bekende droge marine kompas wordt in Europa uitgevonden rond 1300.

Op de prent zijn nog meerdere instrumenten aanwezig, grotendeels zijn ze gebaseerd op moderne traktaten als de Arte de navigar van Martin Cortez (1551), die het leven van zeevaarder vergemakkelijken. Aan het plafond hangt een miniatuurversie van een zeilschip. Het is een karveel, een snel zeilschip uit Spanje en Portugal. Het belangrijkste kenmerk van een karveel is de plaats van de centrale mast, op één derde van de voorsteven, waar het schip ook zijn grootste breedte heeft. Hierdoor is het niet alleen sneller maar ook zeewaardiger en heeft het evenzeer meer ruimte voor vracht. Later wordt het niet alleen groter gebouwd maar krijgt het in verband met handelbaarheid ook drie masten, zoals in het miniatuurmodel op de prent te zien is. Deze masten kunnen zowel dwars– als Latijngetuigd - met driehoekige zeilen - zijn. Daarnaast zijn de twee tafels in het studievertrek beladen met instrumenten voor wetenschappelijke studie en navigatie, zoals een aardbol en een hemelsfeer.