home
 

In de zeventiende eeuw heeft de tekening geen echt hoogstaand uitgesproken statuut. Het is een werkinstrument en geen kunstwerk op zich. De tekeningen worden bewaard in de ateliers en meestal overgeërfd van leermeester op zijn opvolgers. Naast deze functie binnen de opleiding, vormen de tekeningen een repertorium van vormen of composities, bedoeld om naar gelang de nood hergebruikt te worden.

Tot midden van de achttiende eeuw zijn tekeningen eerder marginaal te vinden in collecties. Het is eerder een ding voor echte nieuwsgierigen, de prijzen liggen laag, met uitzondering voor enkele ‘kapitale’ bladen. Vanaf 1750 groeit nieuwe interesse, de prijs stijgt en kunstenaars als Boucher, Greuze en Fragonard beginnen tekeningen te maken uitsluitend bestemd voor verkoop en niet meer alleen voor persoonlijk gebruik.

De tekening is het meest directe middel waarover de kunstenaars beschikken om zich het antieke vocabulaire eigen te maken en meer dan het schilderij bewaart de tekening het spoor van de directe band van de kunstenaars met de antieke sculpturen. De vorm omlijnt, de contour overheerst in deze kunst en zal haar karakteriseren.

Vooral in de tekeningen komt het neoclassicisme goed tot uiting en blijft daarin ook lang doorleven. Het neoclassicisme is de periode in de kunstgeschiedenis waar meer dan ooit binnen het oeuvre en de opleiding zoveel belang aan studie en voorbereiding door tekening werd gehecht. Hierdoor zijn uit deze tijd dan ook talloze tekeningen bewaard. 

Het prentenkabinet van Musea Brugge bewaart ongeveer drieduizend tekeningen. De oude kern van deze verzameling wordt gevormd door de collectie van John Steinmetz (1795-1883). Deze geboren Engelsman verhuisde in 1819 naar Brugge en bouwde een befaamde verzameling van tekeningen en prenten op. Uit zijn deelcollectie blijkt zijn uitgesproken voorliefde voor de Brugse kunstenaars uit de neoclassicistische periode. Het overgrote deel van tekeningen van Joseph Benoît Suvée, Joseph Ducq en Albert Jakob Frans Gregorius in het Brugse prentenkabinet zijn door Steinmetz verzameld. De tekeningen van Ducq en Gregorius verwierf hij op de veilingen van de nalatenschap van de beide kunstenaars, respectievelijk in 1830 en 1853. In 1864 schonk Steinmetz zijn gehele verzameling aan de stad Brugge.
Edouard Auguste Wallays, Portret van John Steinmetz, 1883. Groeningemuseum Brugge