home
 

De ontdekking van Guaiacum


Het opschrift verklaart: ‘De kwijnende lichaamsdelen, verzwaard door deze ziekte, zullen verlicht worden door het aftreksel van de boom’. Guaiacum is vooral bekend omdat het tot ongeveer 25% vetachtig hars bevat. In het verleden wordt het daarom veel gebruikt voor katrollen. Dankzij het hars zijn dergelijke katrollen ‘zelfsmerend’.






Guaiacum of pokhout dankt zijn naam aan het medische gebruik ervan tegen de Spaanse pokken, een oude naam voor syfilis. Syfilis, vroeger ook bekend als de Franse ziekte is een seksueel overdraagbare aandoening. De hypothese bestaat dat deze ziekte voorkomt in de Nieuwe Wereld op het moment dat Columbus het continent ontdekt. Het is dan ook mogelijk dat de ontdekkingsreiziger en zijn manschappen de aandoening hebben opgelopen en ze ook in Europa verspreid hebben. In de zestiende en zeventiende eeuw schaamt men zich voor de ziekte, en ontstaat de gewoonte de aandoening te benoemen naar het land waar men (regelmatig) oorlog voert of op historische gronden een hekel aan heeft. Duitsers en Engelsen noemen het de ‘Franse pokken’; de Russen de ‘Poolse ziekte’; de Polen de ‘Duitse ziekte’; de Fransen de ‘Napolitaanse ziekte’; de Nederlanders, Portugezen en Noord-Afrikanen de ‘Spaanse ziekte’ en de Japanners de ‘Chinese zweer’.

Het geneeskundige gebruik van de plant leidt in het Engelse ook tot een meer positieve naam, namelijk ‘lignum vitae’ of ‘hout des levens’. Deze houtsoort, onbekend in Europa wordt vanaf begin zestiende eeuw ingevoerd uit Amerika. Het blijkt een efficiënt hulpmiddel voor venerische ziekten, waarvoor tot dan kwik wordt gebruikt, wat vreselijke gevolgen had voor de gezondheid van de patiënt. Stradanus vindt inspiratie voor deze ontdekking en de voorstelling ervan in een gedicht van Girolamo Fracastorio, “Siphilis, sive de morbo gallico”, gepubliceerd in Verona (1530).