home
 

Antieken

Het natekenen van antieke beeldhouwwerken kent reeds een hoogtepunt aan het begin van de zeventiende eeuw zowel in de kunsttheorie als in de praktijk. In de opleiding van een schilder is de studie van sculpturen uit de antieke oudheid om verschillende redenen zeer belangrijk. Al in zijn levensbeschrijving van Andrea Mantegna (ca 1430-1506) raadt Giorgio Vasari de studie aan van reliëf in marmer of andere steen, afgietsels van levende modellen en antieke beelden. Ze zijn onbeweeglijk en maken dus langdurige studie mogelijk.

Kennis van anatomie is een noodzakelijke voorwaarde voor de schilder om een goed gevormd lichaam correct weer te geven. Anatomie kan men bestuderen aan de hand van theoretische traktaten als dat van Andrea Vesalius (1555) en door ‘doden te zien villen’. Dit laatste is echter moeilijk op legale wijze uit te voeren. Karel van Mander stelt daarom voor de directe waarneming te vervangen door de studie van antieke sculpturen. Gezien de antieken hun anatomische kennis verworven hadden door sectie vormen hun beelden een betrouwbare bron en worden ze volledig gelijkwaardig geacht aan het levende model, aldus Van Mander.


Op het einde van de 18de eeuw kent de studie van antieke beelden opnieuw een grote populariteit binnen het onderwijs aan de academies. In het neoclassicistische gedachtegoed gelden deze sculpturen als voorbeeld van het perfecte schoonheidsideaal. Het tekenen naar sculpturen uit de Griekse en Romeinse oudheid heeft twee hoofddoelen. Het moet het plastische tekenen met licht-schaduw nuances oefenen en vormt een voorbereiding voor de latere natuurstudie van het levend model. Het werken met gipsafgietsels dient niet alleen om kennis van organische lichaamsbouw te verwerven, maar is ook noodzakelijk om de blik van de leerlingen te onderwijzen in de proporties en het schoonheidsideaal van de antieke sculpturen.
De Laocoön, de Medici Venus en de Borghese Gladiator zijn drie van de blangrijkste nog bewaarde originele antieke sculpturen.